Over de techniek van personaliseren wordt veel gesproken, over de plaatsing veel minder. Toch bepaalt de positie van uw logo of het daadwerkelijk gezien wordt, of het bij beweging vervormt en of het na honderd wasbeurten nog strak op zijn plek zit. In dit artikel loop ik de gangbare posities langs en geef ik aan wanneer welke keuze logisch is.
Begin bij de kijkrichting van uw klant
De juiste plek volgt uit de vraag waar uw klant naar kijkt. Staat uw medewerker achter een balie, dan is alles onder heuphoogte onzichtbaar en telt vooral de borst. Loopt uw medewerker door een zaal, dan wordt hij net zo vaak van opzij en van achteren gezien en wint de rug of de mouw. Rijdt uw medewerker, dan is de schouder het meest zichtbare vlak. Deze vraag stel ik altijd eerst, nog voor de vraag over borduren of bedrukken.
De linkerborst als standaard
De linkerborst is de meest gebruikte positie en om goede redenen. Het vlak is stabiel, het beweegt weinig mee met armbewegingen en het valt binnen het natuurlijke blikveld tijdens een gesprek. Houd ongeveer een handbreedte onder de schoudernaad aan en blijf uit de buurt van knopen en zakranden. Een logo van vijf tot acht centimeter breed is hier vrijwel altijd genoeg; groter wordt al snel opdringerig. Voor een verzorgde afwerking op deze plek is borduren de logische keuze, zoals ik toelicht in het artikel over borduren of bedrukken.
De rug voor herkenbaarheid op afstand
Moet uw team van verre herkenbaar zijn, dan is het bovenrugvlak de sterkste plek. Denk aan beveiligers in een menigte, aan chauffeurs op een parkeerterrein of aan een cateringteam dat door een zaal beweegt. Houd de bovenkant van het logo ongeveer tien centimeter onder de halsnaad, zodat het niet over de schoudernaad kruipt bij het bukken. Grote rugopdrukken lenen zich beter voor drukwerk dan voor borduring, omdat een groot borduurvlak stug wordt. Voor beveiligingsteams geldt bovendien dat herkenbaarheid soms wettelijk geregeld is, zoals ik beschrijf in het artikel over werkkleding voor beveiligers.
Mouw en manchet voor terughoudendheid
Wilt u wel herkenbaar zijn maar niet nadrukkelijk, dan werkt de mouw uitstekend. Een klein embleem op de bovenarm of net boven de manchet is zichtbaar in gebaren en bij het serveren, maar domineert het kledingstuk niet. Dit is een gangbare keuze in de hotellerie en in branches waar ingetogenheid telt. Houd er wel rekening mee dat de mouw een smal en gebogen vlak is: een breed logo vervormt daar zichtbaar.
Schort, kraag en pet
Bij horecateams verschuift het zwaartepunt vaak naar het schort, simpelweg omdat dat het stuk is dat de gast het langst ziet. Een logo op de borstlat van het schort zit op ooghoogte tijdens het afrekenen en blijft schoon omdat het boven het werkvlak valt. Welke schortmodellen daar ruimte voor bieden, beschrijf ik in het artikel over het juiste schort voor uw horecazaak. De kraagachterkant en de pet zijn vooral geschikt voor een klein beeldmerk zonder tekst.
Praktische regels die tijd besparen
Drie richtlijnen voorkomen de meeste problemen. Plaats nooit over een naad, rits of zak, want daar hecht het slecht en trekt het scheef. Houd de plaatsing over de hele lijn gelijk, zodat shirt, gilet en jas hetzelfde beeld geven. En leg de positie eenmalig vast in millimeters vanaf een vast punt, bijvoorbeeld de schoudernaad, zodat elke nabestelling identiek uitvalt. Diezelfde discipline geldt voor de kleur van het logo, waarover ik schreef in het artikel over uw merkkleur bewaken.
In het kort
Kies de plek op basis van waar uw klant naar kijkt. De linkerborst is de veilige standaard, de rug werkt voor herkenbaarheid op afstand, de mouw voor een ingetogen signatuur en het schort voor horeca. Blijf weg van naden en zakken, houd de plaatsing over de hele lijn gelijk en leg de positie in millimeters vast zodat nabestellingen identiek blijven. Wilt u zien hoe uw logo op verschillende stukken uitpakt? Kom langs in onze showroom aan de Televisiestraat in Den Haag, of neem contact op via onze contactpagina.